
De ontwerper van deze website exuseert zich voor de slechte staat van dit krantenknipsel.( Het is me toegezonden door de liefhebbende vriend van Annemarie)
Hart onder de riem voor elke mantelzorger
“Ik ben veel vrouwen tegelijk: egocentrische zeurpiet, behaagziek uitgaanstype, schuldbewuste moeder, dito echtgenote.” Actrice en schrijfster Annemarie Oster (1942) beschrijft met zelfspot in Mantelliefde hoe ze met dat onwaarschijnlijke profiel voor een mantelzorger toch in die rol belandde. De man die ze rond haar 60ste leerde kennen en wiens soms arrogante, corpsbalachtige houding nogal eens tot ruzies leidde, bleek, eenmaal geveld door vasculair parkinsonisme en vervolgens vasculaire dementie, een lieve, meegaande patiënt.
Zijn mantelzorger worden ging niet vanzelf, schrijft ze, omdat haar ‘onbaatzuchtige mantelzorgzaamheid’ het geregeld moest zien te winnen van haar niet minder aanwezige vluchtgedrag. Maar zijn afhankelijkheid en aandoenlijkheid (school er niet altijd al een wat eenzame onzekere jongen in die arrogante bal?) riepen zowel haar medelijden als haar liefde op. En daarmee haar zorg.
Oster illustreert een situatie die al te vaak voorkomt: de hulpbehoevende bejaarde die een niet minder bejaarde mantelzorger heeft. Voor dag en nacht. Zoals Oster schrijft: ‘Ik kan geen kant uit. Vrijwillig en aus Liebe, maar ga er maar aan staan.’
Dat betekent niet dat Mantelliefde een klaagzang is. Osters toon is als altijd luchtig en relativerend, ook als het over het onvermijdelijke getob, gesjouw en gedoe gaat dat komt kijken bij een patiënt die fysiek op is en van wie de geest hapert. Zoals de heisa aan hulpmiddelen die hun grachtenpand wordt binnengebracht nadat daar eindeloos met instanties over gebeld en gesjacherd is: de kronkelende trapliften, de diverse rollators, het hoog-laagbed, de sta-op-stoel, de actieve en passieve tillift, de zeiltjes, de luiers, de uiteindelijke rolstoel.
Daarnaast heeft ze te kampen met bezoek dat ‘je zegt het maar als ik wat kan doen’ gaat zitten om bediend te worden. Met de ongewisheid van het tijdstip waarop de thuiszorg komt. Met de weigering van de chauffeur van de rolstoeltaxi om haar man van de trap voor de voordeur te helpen (mag niet van de arbo). En met haar eigen grenzen. Als haar man valt, kan ze hem niet optillen, mee naar buiten nemen lukt niet zonder anderen.
Na vijf jaar mantelzorgen – ze is dan tegen de 80 – wordt het te zwaar en doemt het verpleeghuis op. Het maakt haar bestaan lichter, al blijven de schuldgevoelens opspelen (dagelijkse bezoeken rondt haar man steevast af met de vraag ‘ga je nu alweer weg?’).
Mantelzorgen is zwaar, maar er is ook goed nieuws. Voor een geliefde zorgen schijnt de dopamine te doen stijgen, schrijft Oster. En dat merkt ze. Al zorgend ziet ze zichwelf met het toenemen van zijn misère ontpoppen van ‘van nature ongeduldig en snel geïrriteerd, tot een Florence Nightingale van hebikjoudaar’. Ze voelt zich fit, voortvarend en leeftijdloos. Ze volt zich de sterkste in huis en niet, zoals bij haar kinderen en kleinkinderen, de oudste en zwakste.
En zo steekt ze met haar opgewekt getoonzette Mantelliefde elke beginnende en nog wankelmoedige mantelzorger een hart onder de riem.
Ranne Hovius